Een centrale factor in ons scenario is rekenkracht: de AI-datacenters en chips die nodig zijn om frontier AI-systemen te trainen en te laten draaien. Wij zijn van mening dat rekenkracht snel één van de belangrijkste strategische middelen ter wereld wordt, aangezien de hoeveelheid rekenkracht die een land of continent bezit steeds bepalender is voor het vermogen om geavanceerde AI-systemen te bouwen, ze op schaal te implementeren, om de daaruit voortvloeiende economische voordelen vast te leggen en om geopolitieke drukmiddelen te behouden. Als een continent al een betekenisvol deel van de wereldwijde AI-rekenkracht bezit, zullen buitenlandse bedrijven of overheden twee keer nadenken voordat ze hun toegang tot AI-modellen of gerelateerde infrastructuur beperken.
Hieronder schatten we (i) de groei van wereldwijde AI-rekenkracht tot 2031 en (ii) de relatieve aandelen van verschillende wereldregio’s door de tijd heen. Onze schattingen zijn gebaseerd op openbaar beschikbare informatie over historische groeicijfers, knelpunten in de toeleveringsketen en aangekondigde datacenterprojecten.
Bekijk hier onze volledige kwantitatieve prognose.
1. Wereldwijde AI-rekenkracht
Onze projecties zijn grotendeels gebaseerd op een eerdere rekenkrachtprognose van het AI Futures Project, die in april 2025 is gepubliceerd als onderdeel van hun AI 2027 scenario. De auteurs beschrijven hier in detail hun onderliggende aannames. Belangrijk is dat de rekenkrachtprognose niet veronderstelt dat hun andere voorspellingen over toekomstige vooruitgang van AI uitkomen.
In 2025 schatte het AI Futures Project dat de mondiale AI-rekenkracht zou groeien tot 435 GW in 2030. Wij nemen, in overeenstemming met hun aankomende werk, aan dat de daadwerkelijke groei iets langzamer zal verlopen. Dit komt doordat knelpunten in de toeleveringsketen, hoofdzakelijk omtrent EUV-lithografie, de groei van AI-rekenkracht waarschijnlijk zullen vertragen. Dit is een voortzetting van de al waarneembare vertraging van de jaarlijkse groei, van 3,4x in het verleden tot ongeveer 2,2x vandaag tot een (verwachte) 1,25x in 2031. Rekening houdend met deze vertraging, schatten we dat het wereldwijde aanbod van AI-rekenkracht in 2031 zal oplopen tot ongeveer 370 GW. Dat is nog steeds meer dan een vertienvoudiging van de ongeveer 30 GW aan wereldwijde AI-datacentercapaciteit aan het begin van dit jaar.
Dit ligt ruim binnen de bovengrens van wat ‘s werelds EUV-lithografiemachines - de meest complexe machines die nodig zijn om cutting-edge chips te produceren - fysiek in staat zouden zijn om in 2031 te produceren. Voortbouwend op een recente schatting van chiponderzoeker Dylan Patel, gaan we ervan uit dat er in 2031 ongeveer 700 EUV-machines zullen zijn, die theoretisch gezien in staat zijn om vanaf 2026 ongeveer 780-870 GW AI-rekenkracht te produceren.
In de praktijk zal de effectieve output een stuk lager liggen, aangezien er andere knelpunten zijn voor de chipproductie dan EUV (bv. geheugen met hoge bandbreedte of geavanceerde packaging) en sommige EUV-machines worden gebruikt om niet-AI-chips te produceren. Als maar 50% van alle EUV-capaciteit naar de productie van AI-chips zou gaan, zouden deze machines in theorie tussen 2026 en 2031 390-430 GW aan AI-rekenkracht kunnen produceren. Onze schatting van 373 GW ligt onder deze conservatieve bovengrens.
2. Relatieve aandelen in het standaardscenario
We veronderstellen dat het huidige aandeel van Europa in de wereldwijde AI-rekenkracht ongeveer 5% bedraagt, in vergelijking met het aandeel van 6-7% dat analisten eerder meldden voor begin 2025. In het standaardscenario schatten wij dat het aandeel van Europa kort zal stijgen naar 8% in 2028 en tegen 2031 weer zal dalen tot iets meer dan 5%. Dit is gebaseerd op een bottom-up schatting van de opbouw van rekenkracht in Europa gedurende de komende 5 jaar, op basis van publieke informatie over bestaande en aangekondigde AI-datacenters. Uit onze database van publiek bekende of aangekondigde AI-datacenters (≥10 MW) in Europa blijkt dat de hoeveelheid Europese rekenkracht tegen eind 2026 waarschijnlijk zal oplopen tot ongeveer 2 GW en tegen 2031 tot bijna 21 GW.1
Terwijl de Europese AI-rekenkracht zich nu vooral concentreert in Scandinavische landen, wijzen onze gegevens op een verschuiving tegen 2031, waarbij de drie grootste eigenaars van rekenkracht op dat moment Frankrijk (37%), Noorwegen (9%) en Duitsland (9%) zijn. De grootste AI-clusters tegen 2031 zijn projecten op GW-schaal in Frankrijk en Portugal, en faciliteiten van meer dan 500 MW in Nederland, Roemenië, Noorwegen, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk. Onze standaardschatting gaat ervan uit dat particulier en openbaar aangekondigde projecten grotendeels gerealiseerd zullen worden en dat het Europese rekenkrachtbeleid zijn huidige niveau van ambitie behoudt.
We gaan ervan uit dat het aandeel rekenkracht van de rest van de wereld (ex-VS/China/Europa) het aandeel van Europa zal overschrijden en tegen het einde van het decennium ongeveer 11% zal bedragen. Aankondigingen op GW-schaal in verschillende landen – VAE (5 GW), Saoedi-Arabië (1,5 GW, 1 GW, 1 GW), India (3 GW, 1 GW, 1 GW), Zuid-Korea (3 GW, 1 GW), Canada (2,4 GW, 1,2 GW) en Brazilië (1,5 GW, 1 GW) – zijn samen al goed voor een totaal van bijna 24 GW en overschrijden het aandeel van Europa (21 GW) tegen 2031. Zelfs als multi-GW-projecten in deze landen een hoger uitvoeringsrisico hebben dan in de VS of Europa, zal het aandeel van de rest van de wereld nog steeds zeer waarschijnlijk groter zijn dan dat van Europa, vooral als je meeneemt dat er ook in landen als Australië, Maleisië of Japan verschillende datacenters in de orde van honderden MW gepland staan.
Volgens de AI chip owners-database van Epoch, is het huidige Chinese aandeel van de AI-rekenkracht ongeveer 11% (gemeten in GW).2 In lijn met ongepubliceerd, aankomend werk van het AI Futures Project, gaan we ervan uit dat het aandeel van China tegen 2031 zal toenemen tot ongeveer 15%.
Als China ongeveer 15% van de wereldwijde rekenkracht bezit, Europa ongeveer 5% en de rest van de wereld (ex-VS) ongeveer 11%, blijft er iets minder dan 70% over voor de VS in het standaardscenario.
3. Relatieve aandelen volgens de epiloog
In de epiloog van het verhaal hinten we naar een mogelijke andere toekomst waarin Europa zijn koers op het gebied van AI succesvol wijzigt, onder meer door een veel ambitieuzer rekenkrachtbeleid te voeren. In dit scenario gaan we ervan uit dat Europa zou streven naar een aandeel van 15% van de mondiale AI-rekenkracht in 2031, een verdrievoudiging van het huidige aandeel van 5%. Op middellange termijn zou Europa dan op weg zijn om een aandeel rekenkracht te bereiken dat ruwweg evenredig is met zijn aandeel in het mondiale BBP (momenteel ~25%).
Aangezien de bouw van grote AI-datacenters zelfs in optimistische scenario’s meerjarige oplevertijden kent, zou het grootste deel van deze extra capaciteit online komen in 2030/2031, ervan uitgaande dat Europa in 2026 zou besluiten om een groter aandeel rekenkracht naar eigen bodem te halen. Voldoende datacenters bouwen zou een Europese inspanning zijn, gebruikmakend van geschikte locaties en netaansluitingen waar deze maar beschikbaar zijn, hoewel de datacenters zich waarschijnlijk zouden concentreren in regio’s met stabiele, fossielvrije energiebronnen zoals de Scandinavische landen (waterkracht), Frankrijk (kernenergie) of het Iberisch schiereiland (zonne-energie). Landen met buiten gebruik gestelde industriegebieden, zoals Duitsland of Polen, zouden ook een belangrijke rol spelen, aangezien sommige van deze locaties al GW-schaal-netverbindingen hebben die kunnen worden hergebruikt voor grote AI-datacenters.
Het hosten van meer AI-rekenkracht in Europa zal waarschijnlijk geen invloed hebben op de totale rekenkrachtcapaciteit van de wereld. Gezien de snel toenemende vraag produceert de toeleveringsketen voor AI-rekenkracht al bijna op maximale capaciteit chips, ongeacht waar ze uiteindelijk heen worden verscheept. Het grootste verschil met het standaardscenario betreft dus het aandeel van Europa ten opzichte van andere regio’s.3
We veronderstellen dat een ambitieuze Europese strategie omtrent rekenkracht voornamelijk het aandeel van de VS zou verminderen (met ongeveer 9 procentpunt), aangezien Europa het dan aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse AI-bedrijven om te investeren en omdat Europa haar positie in de toeleveringsketen dan benut om meer door de VS vervaardigde chips te verkrijgen voor Europese AI-projecten. Het aandeel van China zal waarschijnlijk ook afnemen, doordat meer Amerikaanse chipexporten naar Europa gaan in plaats van naar China. Het effect zou echter wel veel kleiner zijn (rond 1,5 pp), aangezien China zijn rekenkrachtstack actief loskoppelt van het Westen. Ten slotte zou ook de rest van de wereld (ex-VS/China) een ietwat lager aandeel hebben, aangezien de chipexport die anders naar landen zoals de VAE of Saoedi-Arabië zou zijn gegaan, in plaats daarvan naar Europa gaat.
- Het is de moeite waard om twee beperkingen van onze database aan te geven. Aan de ene kant kan hij de Europese AI-rekenkracht overschatten, omdat er bij aangekondigde datacenters sprake is van uitvoeringsrisico en ze mogelijk niet worden gebouwd. Aan de andere kant kan onze database de Europese AI-rekenkracht ook onderschatten, aangezien sommige plannen voor datacenters nog niet openbaar zijn. Er kunnen ook een aantal bestaande of geplande datacenters ontbreken, aangezien er nog geen volledige en openbaar toegankelijke lijst van Europese AI-datacenters bestaat. Generieke hyperscale- en colocatiedatacenters, die niet specifiek zijn aangeduid als AI-datacenters en dus niet worden bijgehouden in onze database, kunnen ook nog wat AI-capaciteit hosten, hoewel we verwachten dat dit aandeel naar verhouding klein is. Ondanks deze beperkingen denken we dat onze database het meest uitgebreide en actuele publieke overzicht geeft van huidige en toekomstige Europese AI-rekenkracht: (1) we hebben een grote verscheidenheid aan bronnen geraadpleegd over een aantal iteraties (bijv. persberichten van bedrijven, publicaties uit de sector, nationale en lokale kranten, bestaande datasets zoals Epoch AI’s GPU clusters database), (2) de bovengenoemde beperkingen wijzen in tegenovergestelde richtingen en wegen dus gedeeltelijk tegen elkaar op en (3) onze resultaten komen grotendeels overeen met informele schattingen van andere deskundigen en eerder waargenomen trends. ↩
- Merk op dat het meten van de rekenkracht in GW in plaats van H100-equivalenten het aandeel rekenkracht van China overschat, aangezien Chinese hardware minder energie-efficiënt is dan Amerikaanse alternatieven. Indien gemeten in H100-equivalenten, is het huidige Chinese aandeel van de mondiale rekenkracht bijvoorbeeld ongeveer 5%, in vergelijking met 11,5% in GW. We gebruiken GW nog steeds als maatstaf, om twee redenen. Ten eerste is het de relevantere maatstaf voor beleidsmakers, die moeten nadenken over de uitbouw van AI-rekenkracht in de bredere context van energiebeleid en de planning van het elektriciteitsnet. Ten tweede zijn we vooral geïnteresseerd in de manier waarop het relatieve aandeel van de VS en Europa in deze twee scenario’s verschuift. Voor die toepassing is GW een goede metriek, aangezien de VS en Europa gebruikmaken van vergelijkbare, even energiezuinige hardware. ↩
- Een ambitieus Europees beleid omtrent rekenkracht zou er ook toe kunnen leiden dat datacenters sneller online kunnen gaan, als Europese locaties een snellere ‘tijd-tot-netaansluiting’ kunnen bieden dan andere westerse regio’s, maar de precieze omvang en zelfs de richting van dit effect zijn onduidelijk. (Sommige AI-bedrijven zouden er bijvoorbeeld de voorkeur aan kunnen geven datacenters in Europa te bouwen, bijvoorbeeld om politieke redenen, zelfs als de tijd-tot-netaansluiting iets langer was.) ↩